Algemeen

Doorheen de 16de eeuw won de dussack, een eenhandig houw- en steekwapen, aan populariteit in de heersende schermgildes, -broederschappen.  Technieken met dit wapen worden uitvoerig beschreven in de werken van Paulus Hector Mair (1548) en Joachim Meyer  (1570).

In Joachim Meyer’s “Gründliche Beschreibung der Kust des Fechtens” wordt de dussack gebruikt als transitiewapen om de technieken van het tweehandig langzwaard over te brengen naar de eenhandige wapens.  Vooraleer studenten Meyer’s rapier ter hand mochten nemen moesten zij zich toeleggen op de technieken met de dussack.  Volgens Joachim Meyer de basis van alle eenhandige wapens.

Waar, op de zogenaamde Fechtschule of schermtornooien, steken met het langzwaard niet was toegelaten en men enkel door middel van een houw de tegenstander geldig kon treffen; was steken in het rapiervechten wel toegelaten.  Dit moest echter op een veilige en gecontroleerde manier gebeuren.

Gezien de de dussack vaak van hout was, soms met leer overtrokken, was dit voor de studenten een veilig wapen om het houwen en steken met grote controle aan te leren zodat zij deze later konden toepassen in het schermen met de rapier.

De houten dussacken zijn doorheen de geschiedenis verloren gegaan en kennen we enkel vanuit de zogenaamde “vechtboeken” waar zij uitgebreid geillustreerd en beschreven worden.  Metalen en scherpe dussacken die buiten de tornooien gebruikt werden vindt men vandaag de dag nog in een aantal musea.

Ook vandaag doen beginnende studenten bij de Hallebardiers ervaring in het sparren en tornooischermen op via de dussack.